Ergens in de zomer gebeurt er iets waar ik maanden naar verlang. Ik hang mijn rugzak om, stap naar buiten en voel dat mijn lichaam weer op avontuur wil. Na maanden waarin een blessure mij letterlijk en figuurlijk afremt, ga ik opnieuw grenzen opzoeken en ze kietelen. Niet om koste wat kost te ontdekken hoe ver ik kan gaan, maar juist om te voelen waar ik inmiddels sta. Kan mijn lijf de kilometers weer aan? Kan ik weer vertrouwen op mijn benen? En misschien nog belangrijker: durf ik mezelf weer los te laten zonder bij iedere stap te denken aan wat er mis kan gaan?
Eerst weer vertrouwen op mijn lijf
Dat vertrouwen is niet vanzelfsprekend. Eerder dit jaar stap ik vol goede moed op de Camino Francés, klaar voor een nieuw avontuur. Na 45 kilometer zit het erop. Een onzichtbare tegenstander neemt het over en ik moet luisteren. Daarna volgen maanden waarin bewegen ineens iets anders betekent. Waar ik normaal gesproken vooral bezig ben met waar ik naartoe wil, ben ik nu bezig met waar ik nog naartoe kan. Iedere kilometer krijgt betekenis. Iedere pijnscheut zorgt voor twijfel. En iedere dag waarop het goed gaat, geeft een klein beetje vertrouwen terug.
Ik ken mijzelf. Ik ben iemand die graag vooruit wil. Vol energie, vol plannen en meestal ook vol gas. Mijn kracht is tegelijkertijd mijn valkuil. Dat weet ik inmiddels al jaren. Ik doe dingen graag voor de volle honderd procent en balanceer daardoor soms op de rand van mijn kunnen. Toch voelt het deze keer anders. Ik wil niet opnieuw blind door een grens heen denderen. Ik wil hem eerst zien. Voelen. Begrijpen. En daarna misschien voorzichtig met mijn vingertoppen aanraken.
Kietelen dus.
Dat woord past eigenlijk precies bij wat ik nu doe.
Van voorzichtig naar nieuwsgierig
In de eerste weken is iedere kilometer er één. Ik voel mijn lichaam, let op mijn knie en probeer vooral niet te veel betekenis te geven aan ieder pijntje. Dat laatste is misschien nog wel het moeilijkste. Na een blessure blijft er namelijk niet alleen iets achter in je lichaam. Er blijft ook iets achter in je hoofd. Een soort waarschuwingslampje dat soms al gaat branden voordat er daadwerkelijk iets aan de hand is.
Toch merk ik langzaam dat het vertrouwen terugkomt. Ik loop weer door de natuur. Voel de ondergrond onder mijn voeten veranderen. Ik klim, daal, zweet en geniet. Het bekende gevoel komt terug. Dat gevoel van vrijheid, natuur en beweging dat ik buitenspelen noem. De natuur trekt me weer naar buiten en het lopen begint opnieuw vanzelfsprekend te voelen.
En dan gebeurt er iets gevaarlijks. Ik krijg weer honger. Niet naar eten, maar naar avontuur. De honger om te ontdekken wat er nog in zit.

Eén stap verder
Juli wordt daardoor een maand waarin ik mijn grenzen steeds iets verder opzoek en voorzichtig kietel. Niet met een uitgewerkt trainingsschema en ook niet met de gedachte dat ik mezelf moet bewijzen. Veel meer vanuit nieuwsgierigheid. Ik wil weten wat mijn lichaam doet als ik het wat langer belast. Hoe voelt het na vijf kilometer? En na tien? Wat gebeurt er als de temperatuur oploopt? Kan ik de volgende ochtend gewoon weer bewegen? Sneller dan verwacht komen de antwoorden.
Mijn lichaam blijkt veel meer te kunnen dan ik misschien had durven hopen. De twijfel maakt plaats voor vertrouwen. De kilometers blijven in deze fase nog beperkt, maar ergens onderweg verandert mijn manier van denken. Ik ben niet langer bezig met wat er allemaal mis kan gaan. Ik ben weer bezig met wat er allemaal mogelijk is. Dat is een belangrijk verschil. Want maandenlang draait mijn wereld om voorzichtigheid. Nu komt de vrijheid langzaam terug.
De Camino als echte test
Vanuit dat gevoel stap ik in Lissabon op de Camino Portugués. Zonder specifieke training. Zonder veel kilometers in de benen en zonder strak plan. Met mijn rugzak op mijn rug en eigenlijk maar één echte vraag in mijn hoofd: kan ik dit nog? De eerste kilometers geven antwoord. Daarna volgen er steeds meer.
Het zijn 620 kilometer van Lissabon naar Santiago de Compostela. Hitte. Lange stukken zonder schaduw. Voeten die protesteren. Blaren. Een harde smak op de Portugese kasseien waarbij mijn heup een flinke klap krijgt. Momenten waarop ik denk dat het misschien toch niet gaat lukken. Maar iedere keer gebeurt hetzelfde. Ik luister. Ik pas aan. En ik ga verder. Het bijzondere is dat ik onderweg steeds minder bezig ben met mijn knie.

Dat klinkt misschien als een detail, maar voor mij is het enorm. Maandenlang bepaalt die knie mede hoe ik beweeg, hoeveel ik durf en waar ik mijn gedachten naartoe stuur. Nu verdwijnt hij langzaam naar de achtergrond. Niet omdat ik hem negeer, maar omdat mijn vertrouwen groter wordt dan mijn angst. En ergens onderweg begint er iets te kriebelen. Als dit kan, wat kan er dan nog meer? Kan ik weer grenzen opzoeken en ze gaan aanraken?
Grenzen zijn geen muren
Dat is misschien wel wat grenzen voor mij betekenen. Ik zie ze niet meer als harde muren waar ik tegenaan moet knallen. Een grens is veel meer een gebied waar ik voorzichtig in rondloop. Waar ik voel, probeer, luister en ontdek. Soms blijkt de grens dichterbij te liggen dan ik dacht. Dan moet ik stoppen of gas terugnemen. Dat heb ik inmiddels geleerd. Opgeven betekent niet automatisch verliezen. Soms is stoppen juist de meest verstandige keuze die je kunt maken. Een lichaam dat een grens aangeeft, is geen tegenstander. Het probeert mij iets te vertellen. Maar soms blijkt die grens ook veel verder weg te liggen. Dat ontdek ik deze maand.
De Camino Portugués wordt uiteindelijk meer dan de test waarvoor ik vertrek. Vanuit het oorspronkelijke doel om mijn lichaam te testen, ontstaat onderweg het idee om de klok toch maar eens aan te zetten. De kilometers blijven komen. Het ritme keert terug. Het vertrouwen groeit. En uiteindelijk kom ik in Santiago aan met niet één, maar twee officiële FKT’s.
De tijd is mooi. De records zijn bijzonder. Maar ze zijn niet het belangrijkste.
De echte winst zit ergens anders
De echte winst zit voor mij in iets wat je niet op een uitslagenlijst terugvindt. Ik vertrouw mijn lichaam weer. Dat besef komt misschien wel harder binnen dan de finish zelf. Ik heb maandenlang geworsteld met de vraag of ik mijn oude manier van bewegen nog terug zou vinden. Of ik weer lange dagen onderweg zou kunnen zijn. Of ik opnieuw zonder angst mijn eigen grenzen kon opzoeken. Nu weet ik het. Ja. Ik durf het weer.
Niet omdat mijn lichaam ineens onverwoestbaar is geworden. Niet omdat blessures vanaf nu geen rol meer spelen. En ook niet omdat ik voortaan iedere grens moet overschrijden. Juist niet. Ik heb geleerd dat ik mijn grenzen ook kan respecteren. Dat is misschien wel de grootste verandering.
Vroeger wilde ik weten hoe ver ik kon gaan door er gewoon overheen te gaan. Tegenwoordig wil ik eerst voelen waar die grens ligt. Ik wil haar aanraken. Een beetje plagen. Er voorzichtig tegenaan duwen. Grenzen opzoeken en ze kietelen dus.
En soms duw ik iets harder. Niet omdat ik moet. Maar omdat ik wil weten wat er aan de andere kant ligt. Niet eindeloos. Niet roekeloos. Wel nieuwsgierig. Want avontuur begint voor mij nog altijd daar waar het bekende ophoudt. Waar ik niet precies weet wat er gaat gebeuren. Waar mijn hoofd vragen stelt en mijn lichaam antwoorden geeft.
Ik hoef mijn grenzen niet iedere keer te verleggen. Soms is het genoeg om ze even aan te raken. En ze een beetje te kietelen.
